De laatste les van dit semester draaide om beeld beschouwen. Aan het begin van de les bespraken we de ontwikkelingsfasen van het kijken en waarderen van kunst door kinderen met bijpassende kunstwerken.
Na de klassikale opening, kregen we de keuze uit twee opdrachten. Je voerde een van de twee uit.

1. Bewogen beweging
Een deel van de klas ging aan de slag met de opdracht bewogen beweging. Het is de bedoeling dat er een balansoefening gemaakt werd met geometrische- en wiskundige patronen, herhaling, ritme en een zichzelf herhalende beweging.
Techniek
- maak sterke verbindingen van ijzerdraad
- vorm het ijzerdraad naar eigen wens met gebruik van handen en tangen
2. Bouw een dier
Het andere deel van de klas maakte een dier van karton. We kozen een dier dat we mooi vonden en moesten de vorm hiervan manipuleren (groter, kleiner, dikker, dunner)
Techniek
- vorm het karton met je handen (kneden, proppen, buigen, vouwen)
- vorm het karton door erin te snijden
Lesdoelen
Je kunt de eerste 3 ontwikkelingsfasen uit de theorie van Parsons onderscheiden
De eerste ontwikkelingsfase van Parsons is favoritisme, voorkeur voor kleur en associatie. De tweede ontwikkelingsfase is representatie, waarbij waarde gehecht wordt aan het onderwerp van het kunstwerk en realisme ervan. De derde ontwikkelingsfase is expressie, waarbij er een voorkeur is voor expressie in het kunstwerk.
Je kunt verschillende typen vragen formuleren bij beelden uit de beeldcultuur
Klassikaal hebben we een aantal beelden besproken en hierbij vragen geformuleerd. Er zijn een aantal verschillende soorten vragen die je kunt stellen aan kinderen:
Startvragen: Ben je zelf wel eens in een museum geweest? Ken je zelf een mooi schilderij?
Onderzoeksvragen: Hoe kun je zien dat..., waarom...?
Analysevragen: Wat zie ik? Welk materiaal is er gebruikt?
Meningsvragen: Wat vind je dit kunstwerk?
Startvragen: Ben je zelf wel eens in een museum geweest? Ken je zelf een mooi schilderij?
Onderzoeksvragen: Hoe kun je zien dat..., waarom...?
Analysevragen: Wat zie ik? Welk materiaal is er gebruikt?
Meningsvragen: Wat vind je dit kunstwerk?
Je kunt onderbouwen waarom een bepaalde vraag aansluit bij een bepaalde ontwikkelfase
Startvragen en onderzoeksvragen passen vooral bij fase 1, omdat het vrij toegankelijke vragen zijn: wat zie je en wat weet je zelf?
Analysevragen horen bij fase 2, omdat het hier nog niet gaat om betekenissen en interpretaties. Dit is alleen een afspiegeling van de werkelijkheid, waarbij benoemd kan worden wat er te zien is.
Meningsvragen horen bij fase 3, omdat deze vragen leiden tot interpretaties en betekenis.
Analysevragen horen bij fase 2, omdat het hier nog niet gaat om betekenissen en interpretaties. Dit is alleen een afspiegeling van de werkelijkheid, waarbij benoemd kan worden wat er te zien is.
Meningsvragen horen bij fase 3, omdat deze vragen leiden tot interpretaties en betekenis.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten