vrijdag 7 juli 2017

Les 8: Beeldend vermogen

De derde les van periode 4 stond in het teken van het beeldend vermogen van kinderen.
Lesdoelen

Je kunt drie ontwikkelingsfasen van het beeldend vermogen bij kinderen benoemen
Krabbelen en materiaalhantering
Deze ontwikkelingsfase vindt plaats bij kinderen van 1,5 tot 4 jaar. Kinderen komen voor het eerst in aanraking met materiaal en gaan op basis van fantasie en ervaring een eigen kunstwerk ontwikkelen. Krabbelen komt veel voor in deze fase: kinderen gebruiken vooral de streeptechniek, omdat dit een vast ritme is wat de kinderen fijn vinden. Ook doen ze sporenonderzoek door middel van stempelen en tekenen en kleuren met verschillende materialen zoals verf, stift en krijt. 

De gecodeerde werkelijkheid
Kinderen van 4-8 jaar bevinden zich in de fase van gecodeerde werkelijkheid. Dit houdt in dat het besef komt dat er specifieke tekens zijn voor bepaalde zaken uit de werkelijkheid. Kinderen verzinnen eerst wat ze willen tekenen en zetten het daarna op papier. Dit wijkt altijd iets af van hoe ze het in hun hoofd hadden, omdat dit nog lastig is voor kinderen in deze leeftijd. De koppoter is een bekend figuur uit deze ontwikkelingsfase.
De fase van gecodeerde werkelijkheid valt op te delen in twee subfases:
1. creatief coderen, vooraf een idee bedenken. Dit stimuleert de creativiteit.
2. schema's, het maken van een schematekening waarin alles een geordende plaats in de compositie heeft

De zichtbare werkelijkheid
De derde ontwikkelingsfase is de fase van de zichtbare werkelijkheid en vindt plaats bij kinderen van 9 tot 15 jaar. Kinderen voelen in deze fase een sterke drank naar naturalistische en realistische weergave. Kinderen vinden hun eigen werk vaak niet mooi genoeg. In deze fase kunnen kinderen zaken uit de werkelijkheid steeds realistischer tekenen.

Je kunt vertellen hoe je binnen een fase het beeldend vermogen van een kind kunt stimuleren
De kinderen kunnen per ontwikkelingsfase gestimuleerd worden door het aanbieden van boeiende opdrachten, beeldmateriaal dat aansluit bij de belevingswereld. Door elke les beeldende vorming te beginnen met een aantal voorbeelden op het digibord, breid je het beeldend vermogen van de kinderen uit en hebben ze een basis waar ze in hun eigen werk op kunnen voortborduren. Wat ook erg belangrijk is, is dat de opdrachten open en controleerbaar zijn. Ook de leerkracht moet aan de ene kant de kritische en aan de andere kant de stimulerende kracht zijn voor de leerlingen.

Deze les werkten we twee lesvoorbeelden uit: een lesvoorbeeld voor de onderbouw en een lesvoorbeeld voor de bovenbouw.


1. Onderbouw: sporenonderzoek
Benodigdheden
- een A3-vel
- kwasten, kurk en ander materiaal om mee te experimenteren
- verf, krijt, potlood, stift, ecoline









Uitvoering

We experimenteerden in deze opdracht met combinaties van verschillende materialen en technieken. Verf stempelen met kurk, spetteren met ecoline: het was de bedoeling dat we zoveel mogelijk effecten gingen uitproberen en hier het resultaat van zagen. Deze opdracht hoort in de onderbouw, omdat het aansluit bij de eerste fase van ontdekken en experimenteren.


2. Bovenbouw: slingerweggetje
Benodigdheden
- A4
- HB potlood
- gum
- waterverf

Uitvoering
Tijdens deze opdracht ga je aan de slag met perspectief: we maken een slingerweggetje die uitmondt in de horizon. De leerkracht geeft de tekeninstructie, waarbij je op verschillende positie poppetjes moet tekenen, hoe verder op het blad hoe kleiner. Dit poppetje krijgt steeds een schaduw en uiteindelijk kun je langs deze steunpunten een slingerweggetje tekenen. Vervolgens kan met potlood en later waterverf de omgeving ingevuld worden naar eigen wens. (Wij zijn hier tijdens de les niet aan toegekomen). Deze opdracht is voor de bovenbouw, omdat het een realistische weergave heeft van de werkelijkheid.


Stageopdracht 2: Een potje vol geheimen van klei

In dit blog schrijf ik een kort verslag over mijn tweede les Beeldende Vorming in groep 3.

Beginsituatie
De kinderen hebben zowel bij de kleuters als in groep 3 al eens met klei gewerkt.

Lesdoelen
- Het kind doet ervaring op met chamotteklei en ervaart dat je – ondanks dat je dezelfde opdracht doet – toch allemaal een verschillend resultaat hebt

Opening
Vertelling ‘de verzamelschool’
In het verhaal was het Thomas die ontzettend veel spullen verzamelde. Iedereen verzamelt spulletjes en het is leuk om dat te bewaren in een potje. Mensen over de hele wereld, duizend jaar geleden en nu hebben al potjes om spullen in te bewaren, dat kan op veel verschillende manieren. Ik heb een aantal potjes meegenomen en laat deze zien. Daarna overgang maken dat wij nu zelf zo’n potje gaan maken.

Kern
Ieder kind krijgt een stukje klei (10x10 cm). We starten gezamenlijk op, zo heeft elk kind een basis. Ik doe het begin van het potje voor door met mijn duim in de klei te drukken en zo een holling te maken. Daarna bouwen we het potje stapsgewijs op door elke keer een stukje klei te nemen, die tot een worstje te rollen en als een spiraal op de rand te leggen. Dit druk je aan met je vingers, zodat het een geheel wordt. De kinderen krijgen de tijd om dit te doen, daarna leg ik de les stil om de volgende fase uit te leggen.
Nu kunnen de kinderen gaan variëren door de spiraaltjes iets verder naar buiten of naar binnen te leggen. Ook kunnen ze een beetje gaan kneden met hun handen, om vorm te veranderen.
Wanneer de basis klaar is, kunnen ze op de instructietafel kiezen uit verschillende attributen om hun potje mee te versieren:
- Sateprikkers
- Strijkkralen
- Spatels
- Wasknijpers
Hiermee kunnen ze patronen in hun potje maken/versieren.

Afsluiting
Als de timetimer gaat, zit iedereen weer op zijn plek. Er wordt opgeruimd en daarna mag elk groepje even een rondje langs de potjes lopen in de aula om te kijken wat iedereen heeft gemaakt. Per groepje wordt er één aspect van een van de potjes gekozen die ze het mooist vonden. Dit aspect wordt besproken nog besproken in de klas, waarna ik de link leg met het lesdoel. Iedereen heeft met hetzelfde materiaal gewerkt, maar er zijn toch veel verschillende resultaten.




Stageopdracht 1: Herfstkleed

In dit blog zal ik een kort verslag geven van mijn les Beeldende Vorming tijdens mijn eerste stage in groep 4.

Op 10 november 2016 heb ik in mijn groep 4 een Beeldende Vorming les gegeven over de herfst. Hierbij heb ik natuur en Beeldende Vorming gecombineerd. Na een les over de herfst en waarom blaadjes van de bomen vallen, gingen we zelf aan de slag met blaadjes van bomen.

Beginsituatie
Het kind kent de verdeling van de seizoenen.

Lesdoelen
- Het kind kan vertellen hoe het komt dat er in de herfst blaadjes van de bomen vallen
- Het kind weet wat herfstkleuren zijn en kan deze toepassen in een beeldende vorming opdracht

Opening
Ik stel de vraag: 'Wat zie je als je naar buiten kijkt?' (Slecht weer, blaadjes van de bomen). Daarna vraag ik de kinderen waarom er blaadjes van de bomen vallen. Hier hebben we een gesprek over met de klas en daarna laat ik een filmpje zien waarin het antwoord wordt gegeven. Na afloop van het filmpje stel ik nog een controlerende vraag. 

Kern
Tijdens het buitenspelen zoeken de kinderen twee mooie bladeren voor zichzelf. Wanneer we weer binnen zijn, praten we over de blaadjes. Op het digibord laat ik plaatjes zien van verschillende bomen met verschillende bladeren. De kinderen mogen hun eigen blaadjes vergelijken met die op het digibord.

Daarna vertel ik dat kunstenaars ook geïnspireerd worden door de herfst. Ik laat de kinderen een aantal kunstwerken zien in het thema herfst en bespreek deze. Een daarvan is een herfstkleed: een schilderij met allemaal Bespreken van kunstwerken die ik laat zien op het bord.
Daarna vertel ik dat wij ook zo'n herfstkunstwerk gaan maken.
Ik doe de techniek voor: de kinderen leggen hun blaadje met de nerven naar boven op hun tafel. Daar gaat een A4 overheen. Met hun kleurpotlood schetsen ze voorzichtig op het papier over de nerven van het blad heen. Als het goed is wordt het blad nu zichtbaar op hun papier. Ze mogen dit met verschillende blaadjes doen en experimenteren met kleur. Wanneer ze klaar zijn met het tekenen van de blaadjes komen ze naar mij. Wanneer ik de blaadjes goedgekeurd heb, mogen de kinderen de achtergrond in gaan kleuren. 

Afsluiting
Met de kinderen en hun tekening naar de aula. Hier gaan we een 'herfstkleed' maken. Platen met (ongeveer) dezelfde achtergrondkleuren komen naast elkaar te liggen. Hierdoor krijg je een heel kleurig geheel. Dit observeren we met elkaar, ik vraag de kinderen te reageren.





                                                                             

donderdag 6 juli 2017

Les 6: Beeldaspecten

Deze eerste les van periode 4 stond in het teken van beeldaspecten.

Lesdoelen

Je kunt een omschrijving geven van een aantal afzonderlijke beeldaspecten per categorie

We onderscheiden de volgende categorieën:
Ruimte: ruimtelijkheid van het kunstwerk, is het kunstwerk ruimtelijk (met diepte) of gesloten? Ook ruimtesuggestie valt binnen deze categorie: dit heeft te maken met de opvulling van het vlak
Kleur: de kleuren die in het kunstwerk gebruikt worden. Je kunt gebruik maken van primaire, secundaire en tertiaire kleuren en kijken hoe deze kleuren in relatie staan tot emotie.
Vorm: de vorm waarin het kunstwerk wordt afgebeeld. Er wordt gekeken naar de vorm van het kunstwerk (vierkant, rond etc.) maar ook naar vormkenmerken (klein, groot etc.)
Textuur: materiaalgebruik, hoe voelt het oppervlak? Texturen kunnen ook worden gebruikt als afdruk: stempelen, krassen of drukken
Compositie: worden verschillende aspecten binnen het kunstwerk gegroepeerd op kleur, vorm of textuur? is er sprake van herhaling en ritme?

Je kunt de werking van beeldaspecten in relatie brengen tot de inhoud van een beeld
Bij beeldbeschouwing kun je beelden beoordelen op de verschillende categorieën. Je kunt kunstwerken bijvoorbeeld beoordelen op vorm en kleur. Ook in het verzinnen van je opdracht kun je je richting op een bepaald beeldaspecten. Richt je bijvoorbeeld op textuur als je gaat stempelen of bedenk emoties bij kleurgebruik. Met het verzinnen van je opdrachten voor de leerlingen kun je dus spelen met de verschillende beeldaspecten en hierdoor de opdracht verrijken

Je kunt aangeven op welke manier beeldaspecten lessen BV op de basisschool kunnen verdiepen
Wat hierboven beschreven staat, geldt dus eigenlijk ook voor lessen BV op de basisschool. Het is uitdagend voor de leerlingen om zich te richten op een bepaald beeldaspect. Je kunt hiermee al beginnen bij de kleuters en naarmate de groepen hoger worden, kun je de focus steeds op een ander (misschien uitdagender) beeldaspect leggen. Beeldaspecten zullen er altijd voor zorgen dat een les verrijkt wordt en dat kinderen wordt geleerd met andere ogen naar een kunstwerk te kijken

Deze les kregen we weer de keuze uit twee voorbeeldlessen.
1. Een popje naaien
Benodigdheden
- papier
- schrijfpotlood
- vilt
- naald
- draad

Uitvoering

We gaan een eigen knuffeltje naaien. Eerst teken je de contouren van de knuffel op papier, dit is ongeveer 1/8 van een A4. Daarna knip je deze uit en speld je hem op een kleur vilt naar keuze. Je knipt een dubbele laag vilt uit en dan kun je de twee lagen aan elkaar naaien. Naai het poppetje niet helemaal dicht, want er moet ook nog een gaatje zijn om hem op te vullen.
Beeldaspecten: vorm, textuur, kleur

2. Stof maché
Benodigdheden
- vierkant tablet
- stof
- lijm

Uitvoering
De bedoeling van deze opdracht was het insmeren van stof met lijm en dit in verschillende lagen op een vierkant tablet plakken. Door de verschillende lagen ontstaat er een werkje dat te vergelijken is met papier maché.
Beeldaspecten: compositie, ruimte, textuur, kleur








donderdag 29 juni 2017

Les 5: Beeldbeschouwen

De laatste les van dit semester draaide om beeld beschouwen. Aan het begin van de les bespraken we de ontwikkelingsfasen van het kijken en waarderen van kunst door kinderen met bijpassende kunstwerken.
Na de klassikale opening, kregen we de keuze uit twee opdrachten. Je voerde een van de twee uit.


1. Bewogen beweging

Een deel van de klas ging aan de slag met de opdracht bewogen beweging. Het is de bedoeling dat er een balansoefening gemaakt werd met geometrische- en wiskundige patronen, herhaling, ritme en een zichzelf herhalende beweging.

Techniek
- maak sterke verbindingen van ijzerdraad
- vorm het ijzerdraad naar eigen wens met gebruik van handen en tangen




2. Bouw een dier
Het andere deel van de klas maakte een dier van karton. We kozen een dier dat we mooi vonden en moesten de vorm hiervan manipuleren (groter, kleiner, dikker, dunner)

Techniek
- vorm het karton met je handen (kneden, proppen, buigen, vouwen)
- vorm het karton door erin te snijden

   

                   
Lesdoelen
Je kunt de eerste 3 ontwikkelingsfasen uit de theorie van Parsons onderscheiden
De eerste ontwikkelingsfase van Parsons is favoritisme, voorkeur voor kleur en associatie. De tweede ontwikkelingsfase is representatie, waarbij waarde gehecht wordt aan het onderwerp van het kunstwerk en realisme ervan. De derde ontwikkelingsfase is expressie, waarbij er een voorkeur is voor expressie in het kunstwerk.

Je kunt verschillende typen vragen formuleren bij beelden uit de beeldcultuur
Klassikaal hebben we een aantal beelden besproken en hierbij vragen geformuleerd. Er zijn een aantal verschillende soorten vragen die je kunt stellen aan kinderen:
Startvragen: Ben je zelf wel eens in een museum geweest? Ken je zelf een mooi schilderij?
Onderzoeksvragen: Hoe kun je zien dat..., waarom...?
Analysevragen: Wat zie ik? Welk materiaal is er gebruikt?
Meningsvragen: Wat vind je dit kunstwerk?

Je kunt onderbouwen waarom een bepaalde vraag aansluit bij een bepaalde ontwikkelfase
Startvragen en onderzoeksvragen passen vooral bij fase 1, omdat het vrij toegankelijke vragen zijn: wat zie je en wat weet je zelf?
Analysevragen horen bij fase 2, omdat het hier nog niet gaat om betekenissen en interpretaties. Dit is alleen een afspiegeling van de werkelijkheid, waarbij benoemd kan worden wat er te zien is.
Meningsvragen horen bij fase 3, omdat deze vragen leiden tot interpretaties en betekenis.




Les 4: Beeldcultuur

Deze een-na-laatste les BV hebben we twee verschillende opdrachten behandeld.
1. Podcast
De eerste opdracht was het maken van een podcast met behulp van het beschouwen en kiezen van kunstwerken. Deze voorbereiding is belangrijk, je moet goed kijken wat je ziet, waar je aan denkt en wat het zou kunnen betekenen om het beeld te kunnen interpreteren. Op de iPad koos je in een groepje van vier personen een kunstwerk uit. Daarbij ging je een verhaal verzinnen. Door middel van een microfoon die aangesloten werd op de iPad waren de bijgeluiden uit het lokaal bijna niet te horen. Samen met Pauline, Rosanne en Marije koos ik voor een kunstwerk waar de jungle op afgebeeld was. We besloten er een educatieve podcast van te maken, door de luisteraar mee te nemen met de boswachter door de jungle. De boswachter (Marije) vertelde over verschillende dieren die in de jungle leven. Rosanne, Pauline en ik maakten de dierengeluiden en Pauline bediende de iPad.


2. Ecoline
Na het maken van de podcast gingen we aan de slag met ecoline, een totaal andere opdracht. Deze opdracht met ecoline was open en controleerbaar. Je moest een landschap gaan vormen. Met de kleuren, overgangen en vormen mocht je gaan experimenteren.


Lesdoelen
Je kunt 3 perioden in de beeldcultuur (klassiek, modernistisch en postmodern) beschrijven.
De klassieke beeldcultuur (tot 1860) kwam vanuit de Grieken en de Romeinen. In deze kunst staat het goddelijke erg centraal. Daarnaast wordt er realistisch geschilderd of gebeeldhouwd. Kunstwerken moesten dicht bij de werkelijkheid blijven. Er was weinig ruimte voor fantasie en interpretatie. De moderne periode (1860-1960) is een tegenreactie op de klassieke periode. Moderne kunstwerken moesten juist niet realistisch weergegeven worden. In plaats hiervan willen kunstenaars met grove kleuren en schilder-technieken gevoel overbrengen.De burgers hadden meer invloed op de beeldcultuur en waar er in de klassieke periode nog opdrachtgevers waren, was dit nu niet meer zo. De postmoderne periode kenmerkt zich door het vermengen van verschillende beeldculturen. Kunst staat in dienst van de consument en de beeldcultuur wordt gebruikt voor entertainment en om statements duidelijk te maken. 
Je kunt een beeld onderzoeken en omschrijven waarop de betekenis van het beeld gebaseerd is.
Hoe lang je naar een beeld kijkt, des te meer ga je zien. Wanneer je met elkaar praat over het schilderij, je discussieert over wat je ziet en wat het kan betekenen, ontdek je verschillende invalshoeken in een kunstwerk. Hierdoor kun je uiteindelijk tot de conclusie komen wat een beeld betekent en dit ook onderbouwen.

Je kunt aan de vorm of inhoud van een beeld een open en controleerbare opdracht koppelen.
Dit kan, omdat je van tevoren kunt stellen wat voor soort eindresultaat je wilt zien van de kinderen. Wil je een schilderij? Een tekening? Een podcast? Dat maakt de opdracht controleerbaar. Het open gedeelte is dat je het kunstwerk op je eigen manier kunt interpreteren. Hierdoor kun je verschillende soorten output krijgen over hetzelfde kunstwerk.

Les 3: Werkprocessen #2





Deze derde les was een vervolg op de vorige  week. Deze les was het de bedoeling dat we een stopmotion-filmpje gingen maakt met behulp van ons racemonster van kosteloos materiaal van de week ervoor.


In een groepje van 6 (en dus drie racemonsters) gingen we aan de slag met de iPad en een greenscreen. Op de iPad kon je met een app achtergronden kiezen. Deze projecteerde je op het green screen. In dit beeld plaatste je nu de racemonsters en eventueel geknutselde attributen. Vanaf toen was het een kwestie van heel veel verschillende foto's maken van kleine veranderingen op je green screen. Wanneer je deze beelden achter elkaar zette, kreeg je je filmpje.

Lesdoelen

Je kunt een korte stop-motionanimatie maken waarin bewegingssuggestie tot uitdrukking komt
Dit lesdoel is bereikt doordat we dit college in groepjes zelf een stop-motionanimatie gemaakt hebben.

Je kunt benoemen welke werkprocessen aan bod zijn gekomen bij de totstandkoming van de animatie.
Tijdens de totstandkoming van de animatie zijn inderdaad verschillende werkprocessen tot stand gekomen. Het belangrijkste werkproces was in dit geval het planmatige gedeelte. Voordat je begon met filmpje had je samen met je groep een verhaallijn bedacht met behulp van de 6 W's en de verhaalboog. Ook onderdeel van het werkproces was het knutselen van de attributen. Het belangrijkste was natuurlijk het filmpje van de animatie.


Je kunt met vooraf bepaalde (beoordelings)criteria reflecteren op het eigen (groeps)werkstuk

Bij dit werkstuk was het weer belangrijk dat de opdracht open en controleerbaar was. De opdracht was open, omdat er geen vooraf bepaalde criteria waren qua gebruik van attributen en het opstellen van een verhaallijn. Dit heeft erin geresulteerd dat de resultaten erg van elkaar verschilden. Daarnaast was de opdracht ook controleerbaar. Het eindresultaat moest een (zelf in te vullen) stopmotion-animatie zijn. Wanneer dit criterium bereikt was, was de opdracht geslaagd.

Resultaat


Les 8: Beeldend vermogen

De derde les van periode 4 stond in het teken van het beeldend vermogen van kinderen. Lesdoelen Je kunt drie ontwikkelingsfasen van h...