De derde les van periode 4 stond in het teken van het beeldend vermogen van kinderen.
Lesdoelen
Je kunt drie ontwikkelingsfasen van het beeldend vermogen bij kinderen benoemen
Krabbelen en materiaalhantering
Deze ontwikkelingsfase vindt plaats bij kinderen van 1,5 tot 4 jaar. Kinderen komen voor het eerst in aanraking met materiaal en gaan op basis van fantasie en ervaring een eigen kunstwerk ontwikkelen. Krabbelen komt veel voor in deze fase: kinderen gebruiken vooral de streeptechniek, omdat dit een vast ritme is wat de kinderen fijn vinden. Ook doen ze sporenonderzoek door middel van stempelen en tekenen en kleuren met verschillende materialen zoals verf, stift en krijt.
De gecodeerde werkelijkheid
Kinderen van 4-8 jaar bevinden zich in de fase van gecodeerde werkelijkheid. Dit houdt in dat het besef komt dat er specifieke tekens zijn voor bepaalde zaken uit de werkelijkheid. Kinderen verzinnen eerst wat ze willen tekenen en zetten het daarna op papier. Dit wijkt altijd iets af van hoe ze het in hun hoofd hadden, omdat dit nog lastig is voor kinderen in deze leeftijd. De koppoter is een bekend figuur uit deze ontwikkelingsfase.
De fase van gecodeerde werkelijkheid valt op te delen in twee subfases:
1. creatief coderen, vooraf een idee bedenken. Dit stimuleert de creativiteit.
2. schema's, het maken van een schematekening waarin alles een geordende plaats in de compositie heeft
De zichtbare werkelijkheid
De derde ontwikkelingsfase is de fase van de zichtbare werkelijkheid en vindt plaats bij kinderen van 9 tot 15 jaar. Kinderen voelen in deze fase een sterke drank naar naturalistische en realistische weergave. Kinderen vinden hun eigen werk vaak niet mooi genoeg. In deze fase kunnen kinderen zaken uit de werkelijkheid steeds realistischer tekenen.
Je kunt vertellen hoe je binnen een fase het beeldend vermogen van een kind kunt stimuleren
De kinderen kunnen per ontwikkelingsfase gestimuleerd worden door het aanbieden van boeiende opdrachten, beeldmateriaal dat aansluit bij de belevingswereld. Door elke les beeldende vorming te beginnen met een aantal voorbeelden op het digibord, breid je het beeldend vermogen van de kinderen uit en hebben ze een basis waar ze in hun eigen werk op kunnen voortborduren. Wat ook erg belangrijk is, is dat de opdrachten open en controleerbaar zijn. Ook de leerkracht moet aan de ene kant de kritische en aan de andere kant de stimulerende kracht zijn voor de leerlingen.
Deze les werkten we twee lesvoorbeelden uit: een lesvoorbeeld voor de onderbouw en een lesvoorbeeld voor de bovenbouw.
Benodigdheden
- een A3-vel
- kwasten, kurk en ander materiaal om mee te experimenteren
- verf, krijt, potlood, stift, ecoline
We experimenteerden in deze opdracht met combinaties van verschillende materialen en technieken. Verf stempelen met kurk, spetteren met ecoline: het was de bedoeling dat we zoveel mogelijk effecten gingen uitproberen en hier het resultaat van zagen. Deze opdracht hoort in de onderbouw, omdat het aansluit bij de eerste fase van ontdekken en experimenteren.
2. Bovenbouw: slingerweggetje
Benodigdheden
- A4
- HB potlood
- gum
- waterverf
Uitvoering
Tijdens deze opdracht ga je aan de slag met perspectief: we maken een slingerweggetje die uitmondt in de horizon. De leerkracht geeft de tekeninstructie, waarbij je op verschillende positie poppetjes moet tekenen, hoe verder op het blad hoe kleiner. Dit poppetje krijgt steeds een schaduw en uiteindelijk kun je langs deze steunpunten een slingerweggetje tekenen. Vervolgens kan met potlood en later waterverf de omgeving ingevuld worden naar eigen wens. (Wij zijn hier tijdens de les niet aan toegekomen). Deze opdracht is voor de bovenbouw, omdat het een realistische weergave heeft van de werkelijkheid.


