donderdag 29 juni 2017

Les 5: Beeldbeschouwen

De laatste les van dit semester draaide om beeld beschouwen. Aan het begin van de les bespraken we de ontwikkelingsfasen van het kijken en waarderen van kunst door kinderen met bijpassende kunstwerken.
Na de klassikale opening, kregen we de keuze uit twee opdrachten. Je voerde een van de twee uit.


1. Bewogen beweging

Een deel van de klas ging aan de slag met de opdracht bewogen beweging. Het is de bedoeling dat er een balansoefening gemaakt werd met geometrische- en wiskundige patronen, herhaling, ritme en een zichzelf herhalende beweging.

Techniek
- maak sterke verbindingen van ijzerdraad
- vorm het ijzerdraad naar eigen wens met gebruik van handen en tangen




2. Bouw een dier
Het andere deel van de klas maakte een dier van karton. We kozen een dier dat we mooi vonden en moesten de vorm hiervan manipuleren (groter, kleiner, dikker, dunner)

Techniek
- vorm het karton met je handen (kneden, proppen, buigen, vouwen)
- vorm het karton door erin te snijden

   

                   
Lesdoelen
Je kunt de eerste 3 ontwikkelingsfasen uit de theorie van Parsons onderscheiden
De eerste ontwikkelingsfase van Parsons is favoritisme, voorkeur voor kleur en associatie. De tweede ontwikkelingsfase is representatie, waarbij waarde gehecht wordt aan het onderwerp van het kunstwerk en realisme ervan. De derde ontwikkelingsfase is expressie, waarbij er een voorkeur is voor expressie in het kunstwerk.

Je kunt verschillende typen vragen formuleren bij beelden uit de beeldcultuur
Klassikaal hebben we een aantal beelden besproken en hierbij vragen geformuleerd. Er zijn een aantal verschillende soorten vragen die je kunt stellen aan kinderen:
Startvragen: Ben je zelf wel eens in een museum geweest? Ken je zelf een mooi schilderij?
Onderzoeksvragen: Hoe kun je zien dat..., waarom...?
Analysevragen: Wat zie ik? Welk materiaal is er gebruikt?
Meningsvragen: Wat vind je dit kunstwerk?

Je kunt onderbouwen waarom een bepaalde vraag aansluit bij een bepaalde ontwikkelfase
Startvragen en onderzoeksvragen passen vooral bij fase 1, omdat het vrij toegankelijke vragen zijn: wat zie je en wat weet je zelf?
Analysevragen horen bij fase 2, omdat het hier nog niet gaat om betekenissen en interpretaties. Dit is alleen een afspiegeling van de werkelijkheid, waarbij benoemd kan worden wat er te zien is.
Meningsvragen horen bij fase 3, omdat deze vragen leiden tot interpretaties en betekenis.




Les 4: Beeldcultuur

Deze een-na-laatste les BV hebben we twee verschillende opdrachten behandeld.
1. Podcast
De eerste opdracht was het maken van een podcast met behulp van het beschouwen en kiezen van kunstwerken. Deze voorbereiding is belangrijk, je moet goed kijken wat je ziet, waar je aan denkt en wat het zou kunnen betekenen om het beeld te kunnen interpreteren. Op de iPad koos je in een groepje van vier personen een kunstwerk uit. Daarbij ging je een verhaal verzinnen. Door middel van een microfoon die aangesloten werd op de iPad waren de bijgeluiden uit het lokaal bijna niet te horen. Samen met Pauline, Rosanne en Marije koos ik voor een kunstwerk waar de jungle op afgebeeld was. We besloten er een educatieve podcast van te maken, door de luisteraar mee te nemen met de boswachter door de jungle. De boswachter (Marije) vertelde over verschillende dieren die in de jungle leven. Rosanne, Pauline en ik maakten de dierengeluiden en Pauline bediende de iPad.


2. Ecoline
Na het maken van de podcast gingen we aan de slag met ecoline, een totaal andere opdracht. Deze opdracht met ecoline was open en controleerbaar. Je moest een landschap gaan vormen. Met de kleuren, overgangen en vormen mocht je gaan experimenteren.


Lesdoelen
Je kunt 3 perioden in de beeldcultuur (klassiek, modernistisch en postmodern) beschrijven.
De klassieke beeldcultuur (tot 1860) kwam vanuit de Grieken en de Romeinen. In deze kunst staat het goddelijke erg centraal. Daarnaast wordt er realistisch geschilderd of gebeeldhouwd. Kunstwerken moesten dicht bij de werkelijkheid blijven. Er was weinig ruimte voor fantasie en interpretatie. De moderne periode (1860-1960) is een tegenreactie op de klassieke periode. Moderne kunstwerken moesten juist niet realistisch weergegeven worden. In plaats hiervan willen kunstenaars met grove kleuren en schilder-technieken gevoel overbrengen.De burgers hadden meer invloed op de beeldcultuur en waar er in de klassieke periode nog opdrachtgevers waren, was dit nu niet meer zo. De postmoderne periode kenmerkt zich door het vermengen van verschillende beeldculturen. Kunst staat in dienst van de consument en de beeldcultuur wordt gebruikt voor entertainment en om statements duidelijk te maken. 
Je kunt een beeld onderzoeken en omschrijven waarop de betekenis van het beeld gebaseerd is.
Hoe lang je naar een beeld kijkt, des te meer ga je zien. Wanneer je met elkaar praat over het schilderij, je discussieert over wat je ziet en wat het kan betekenen, ontdek je verschillende invalshoeken in een kunstwerk. Hierdoor kun je uiteindelijk tot de conclusie komen wat een beeld betekent en dit ook onderbouwen.

Je kunt aan de vorm of inhoud van een beeld een open en controleerbare opdracht koppelen.
Dit kan, omdat je van tevoren kunt stellen wat voor soort eindresultaat je wilt zien van de kinderen. Wil je een schilderij? Een tekening? Een podcast? Dat maakt de opdracht controleerbaar. Het open gedeelte is dat je het kunstwerk op je eigen manier kunt interpreteren. Hierdoor kun je verschillende soorten output krijgen over hetzelfde kunstwerk.

Les 3: Werkprocessen #2





Deze derde les was een vervolg op de vorige  week. Deze les was het de bedoeling dat we een stopmotion-filmpje gingen maakt met behulp van ons racemonster van kosteloos materiaal van de week ervoor.


In een groepje van 6 (en dus drie racemonsters) gingen we aan de slag met de iPad en een greenscreen. Op de iPad kon je met een app achtergronden kiezen. Deze projecteerde je op het green screen. In dit beeld plaatste je nu de racemonsters en eventueel geknutselde attributen. Vanaf toen was het een kwestie van heel veel verschillende foto's maken van kleine veranderingen op je green screen. Wanneer je deze beelden achter elkaar zette, kreeg je je filmpje.

Lesdoelen

Je kunt een korte stop-motionanimatie maken waarin bewegingssuggestie tot uitdrukking komt
Dit lesdoel is bereikt doordat we dit college in groepjes zelf een stop-motionanimatie gemaakt hebben.

Je kunt benoemen welke werkprocessen aan bod zijn gekomen bij de totstandkoming van de animatie.
Tijdens de totstandkoming van de animatie zijn inderdaad verschillende werkprocessen tot stand gekomen. Het belangrijkste werkproces was in dit geval het planmatige gedeelte. Voordat je begon met filmpje had je samen met je groep een verhaallijn bedacht met behulp van de 6 W's en de verhaalboog. Ook onderdeel van het werkproces was het knutselen van de attributen. Het belangrijkste was natuurlijk het filmpje van de animatie.


Je kunt met vooraf bepaalde (beoordelings)criteria reflecteren op het eigen (groeps)werkstuk

Bij dit werkstuk was het weer belangrijk dat de opdracht open en controleerbaar was. De opdracht was open, omdat er geen vooraf bepaalde criteria waren qua gebruik van attributen en het opstellen van een verhaallijn. Dit heeft erin geresulteerd dat de resultaten erg van elkaar verschilden. Daarnaast was de opdracht ook controleerbaar. Het eindresultaat moest een (zelf in te vullen) stopmotion-animatie zijn. Wanneer dit criterium bereikt was, was de opdracht geslaagd.

Resultaat


Les 2: Werkprocessen #1


Voor de tweede les Beeldende Vorming was het de bedoeling dat iedereen kosteloos materiaal mee zou nemen. Waarvoor wisten we van tevoren nog niet. Tijdens de introductie van de les werd het als snel duidelijk: van het materiaal dat we hadden meegenomen maken we een racemonster.
De les begon met een kleine quiz via het digibord. We discussieerden over de verschillende werkvormen die gehanteerd kunnen worden tijdens de lessen BV.
We verdeelden ons in groepjes van twee of drie en begonnen aan het project, met de les -en projectdoelen in ons achterhoofd. De docente liet expres geen voorbeelden zien, dit om de openheid van de opdracht te stimuleren. Het enige punt dat belangrijk was in voor het eindproduct: het lijkt op een voertuig.
Aan het einde van de les hebben we (net als de vorige keer) teruggeblikt op de afgelopen uren. Wat hebben we geleerd? Wat nemen we mee als we zelf BV gaan geven op stage?












Lesdoelen

Proces -en productdoelen van een beeldende opdracht
Proces -en productdoelen verschillen van elkaar. Procesdoelen zijn gericht op - zoals al duidelijk wordt uit de naam - het proces, de lange termijn. Procesdoelen kunnen zich dus uitstrekken over langere tijd en meerdere activiteiten. Een productdoel is een doel op de korte termijn (bijvoorbeeld: maak een voertuig van kosteloos materiaal en zorg dat het ook op een voertuig lijkt)

Experimenteren met kosteloos materiaal
Dit lesdoel is bereikt doordat we deze les een voertuig gemaakt hebben van zelf meegebracht kosteloos materiaal. Er is door iedereen veel verschillend materiaal gebruikt en op verschillende (soms hele creatieve) manieren. Dat was leuk om te zien!


Gebruik van drie verschillende assemblagetechnieken

Een voorwaarde voor het racemonster was o.a. het gebruiken van drie verschillende assemblagetechnieken. Dit zijn technieken waarmee je dus het een aan het ander bevestigt. Bij mijn racemonster heb ik gebruik gemaakt van de volgende drie:
1. lijm, papier op papier/karton bevestigen
2. schilderstape, om het papier aan het doosje te bevestigen
3. nieten, stof aan karton en plastic bevestigen

De volgende les gaan we een stopmotion filmpje maken, waarin de racemonsters de hoofdrol spelen.

Les 1: Lesfasenmodel


Vrijdagmiddag, de laatste twee lesuren voor PLA1B. We namen plaats aan de tafels in het Beeldende Vorming lokaal. Na een introductie met de docent en de uitleg over het doel van het vak was ik aangenaam verrast: we gingen knutselen! Met z'n allen verplaatsten we ons naar de voorkant van het lokaal om te luisteren naar de uitleg van de opdrachten. Er was een opdracht voor de onderbouw (t/m groep 4) en een opdracht voor de bovenbouw (groep 5 t/m 8). Wat jij ging maken hing af van je stageklas. Voor mij geldt de eerste opdracht (waarover ik in deze blog dus ook uit ga wijden), want vanaf volgende week dinsdag ben ik trotse stagiaire van groep 4B op de Klimop in Hoofddorp!

Lekker scheuren


Benodigdheden:
- Gekleurd papier (achtergrond)
- Gekleurd papier (om te scheuren)
- Lijm


Uitleg:
Vandaag maken we een fantasiedier! Het is de bedoeling dat de kinderen stukken gekleurd papier gaan scheuren en de stukjes op een gekleurd blad plakken. Ze mogen hun fantasie de vrije loop laten. Leg de stukjes eerst zo neer als dat je zou willen. Ben je tevreden? Opplakken maar! Het dier is nu klaar. Maar wat doet het? Speelt het met een bol wol? Zit het in een boom of op een tak? Ligt het lekker in het gras? Het eindresultaat is een fantasiedier die een activiteit uitvoert; een fantasiedier in een bepaalde omgeving.


Ik heb in deze gekozen voor een rups, zittend op een tak.

Lesdoelen

Je kunt de 3 procesfasen (receptie, productie, reflectie) van het lesfasenmodel voor BV onderscheiden
Receptie betekent jezelf bekend maken met het onderwerp. Laat plaatjes of foto's zien, spreek erover met de kinderen en leg de opdracht uit. De tweede fase is productie. De kinderen gaan aan de slag. Ze kunnen hun fantasie de vrije loop laten, waardoor er een geheel persoonlijke creatie ontstaat. Reflectie wordt vaak vergeten op de basisschool, maar is daarom niet minder belangrijk! Hoe ouder kinderen worden, des te preciezer en mooier ze hun project willen maken. Het kan dus voorkomen dat een kind niet blij is met het eindresultaat. Vergeet dan niet het kind en zijn/haar eindresultaat positief te motiveren. Vraag wat er wél goed ging tijdens het knutselen en wat je er als leerkracht zijnde goed en mooi aan vindt.

Je kunt omschrijven wat beeldtaal is en op welke manieren dit in het basisonderwijs een rol speelt
Visualiseren is er belangrijk voor jonge kinderen. Wanneer je woorden omvormt in beeld zul je zien dat kinderen een uitleg of verhaal sneller oppakken en onthouden. Laat de kinderen in hun werkproces differentiëren. Het eerste wat ze bedenken hoeft niet altijd gelijk goed te zijn. Stuur het kind zo dat het verder na gaat denken over hoe hij/zij het project verder en anders vorm kan geven. Hierdoor kan het eindresultaat alleen maar mooier en duidelijker worden en het kind alleen maar trotser!

Je kunt aangeven wat een open en controleerbare opdracht is en waarom dat belangrijk is bij BV
Bij BV is het heel belangrijk om een open en controleerbare opdracht te geven. Open, omdat kinderen hun eigen fantasie de vrije loop kunnen laten, wat erg belangrijk is in dit creatieve vak. Controleerbaarheid is ook belangrijk, omdat dit de herkenbaarheid van het object bevordert. Wanneer een kind een hond gemaakt heeft, moet het 4 poten hebben, 2 oren en een staart. Heeft het dat niet? Dan kan het kind met een specifiek doel terug naar zijn tafel om zijn kunstwerk echt op een hond te laten lijken.

Les 8: Beeldend vermogen

De derde les van periode 4 stond in het teken van het beeldend vermogen van kinderen. Lesdoelen Je kunt drie ontwikkelingsfasen van h...